Erfgoed in veranderende binnensteden
Op 20 november 2015 spioneerden acht ‘young professionals’ bij de jaarlijkse themadag van de Federatie Grote Monumentengemeenten (FGM) in de Lutherse kerk in Utrecht. Welke opvattingen over erfgoed in ruimtelijke processen houden monumentenambtenaren van dit netwerk er op na? En wat leverde dit ‘kijkje achter de schermen’ voor inzichten op?
Thema van de bijeenkomst was de veranderende binnenstad. Het Planbureau voor de Leefomgeving presenteerde een methodiek die binnensteden indeelt in 5 categorieën indeelde: van ‘bruisend in een sterke regio’ tot ‘zwak en perifeer’. Als je de context van het PBL-onderzoek even buiten beschouwing laat, zou je kunnen denken dat het krimp- en groeiregio’s er een verschillend handelingsperspectief erop na zouden moeten houden. Een geruststelling voor de aanwezigen: uit dit onderzoek en verschillende andere recente onderzoeken blijkt de aanwezigheid van monumenten een stimulans te zijn voor binnensteden. Een trend dat horeca de plek inneemt van winkelen werd bevestigd in het onderzoek, David Evers van het PBL adviseerde om daar als monumentenzorger vooral niet tegenin te gaan.
Samenleving
Eén van de centrale vragen van de dag ging over connectie maken: hoe sla je als erfgoedbeschermer de juiste toon aan? Hans-Peter Benschop van het Trendbureau Overijssel gaf richting: verruim de blik eerst eens buiten het erfgoeddomein. Hou bijvoorbeeld de rol van erfgoed eens tegen de huidige gesprekken in de samenleving aan zoals vreemdelingenopvang of de discussie over Zwarte Piet. Dít zijn waarden die in (binnen)steden bediscussieerd worden. Openbare podia, concertzalen, raadhuizen en kerken zijn niet zelden monumenten. Mensen komen er samen, de open democratie komt er tot uitdrukking. Toch wordt vaak de economische meetlat vaak toegepast om de waarde van een monument te meten, zoals bijvoorbeeld in het onderzoek van de Atlas voor gemeenten (Marlet, 2015). Is de functie van monumenten als wezenlijk onderdeel van de ‘huiskamer’ van de stad, niet minstens zo belangrijk?
Aanpak gemeenten
Natuurlijk moet de praktijk uitwijzen wat deze waarden werkelijk gebruikt worden. Twee gemeenten brachten de aanpak in hun gemeenten in als showcase naar voren: Zwolle en Bergen op Zoom. Het Broerenkwartier in de Zwolse binnenstad heeft als Pilot Verlichte regels winkelgebieden (Platform31) gefungeerd. Het experiment werpt zijn vruchten af: de leegstand is (tijdelijk) teruggedrongen. Initiatieven moesten aan drie voorwaarden voldoen: (1) ingrepen in de gebouwen moeten tijdelijk zijn, (2) bewoners en eigenaren moesten het eens zijn met de aanpassingen en (3) het moest veilig zijn. Een monumentale kerk bewees als aanjager in het gebied te kunnen fungeren, er is nu niet alleen een boekenzaak (Waanders) gevestigd, ook een wijnhandel. In Bergen op Zoom kwam de afdeling cultuurhistorie tot de ontdekking dat het winkeloppervlakte in een straat met veel leegstand kon wegnemen door maatwerk te leveren aan eigenaren van de winkels. Door een winkelbezitter elders een woning aan te bieden kon de winkel in veel gevallen als woning terug in de markt gezet worden. De gemeente kon hierdoor een halflege winkelstraat omvormen tot een gemengde woon-winkelstraat.
Vergunningen
Geïnspireerd door deze voorbeelden gingen de monumentenambtenaren het gesprek aan met elkaar. De uitkomsten van deze ‘tafels’ diende als input voor de agenda van de FGM. Daarin kwamen natuurlijk frustraties naar boven, als het te laat betrekken van de afdeling monumenten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daardoor wordt de monumentenambtenaar in de rol gedwongen van het stellen van beperkende maatregelen, in plaats van proactief mee te kunnen denken. Dat de afdelingen er in het algemeen in aantal niet op vooruit zijn gegaan in de afgelopen jaren, maakte dit probleem nog urgenter: in veel gemeenten komen erfgoedadviseurs pas ‘achter het loket’ aan de beurt als er een besluit moet vallen over een vergunning. Veel te laat dus.
Eén van de geopperde oplossingen was een multidisciplinaire afdeling (met bijvoorbeeld RO, cultuur, én economie) die voor kortere lijntjes kan zorgen. Tegelijk klonk de roep om in de uitoefening van het werk niet teveel te verbreden naar andere vakgebieden, maar juist een waardige gesprekspartner te zijn. Daarbij is het natuurlijk wel essentieel dat je op de hoogte bent van wat er om je heen gebeurt en de waarde van erfgoed weet te benoemen. Dáár zat ook de crux die in veel gesprekken terugkwam; als je een vervelende ‘nee, dit mag niet omdat …’-mededeling weet te verpakken als een argument dat bijdraagt aan het karakter van een stad, dan kom je in gesprek met collega’s én, niet te vergeten, met eigenaren. Want die kunnen ook behoorlijk lastig zijn, als ze in hun monument aan de slag willen maar er wordt een stokje voor gestoken door ‘monumenten’.

Moderne toevoeging in de historische Eindhovense binnenstad. Foto: FaceMePLS via Flickr
Blikveld volgende generatie
Wat viel de jonge generatie op in de gesprekken? Dat de erfgoedambtenaar zich in de 1e plaats best wat meer mag openen naar de omgeving. Schrijf mee aan gebiedsvisies – monumenten zijn immers een onderdeel van de stad – maar steun ook maatschappelijke initiatieven waarin erfgoed een rol speelt. Maak bewoners of vrijwilligers onderdeel van het activeren van erfgoed: bied experimenteerruimte binnen kaders maar laat de invulling aan betrokkenen en ondernemers (voorbeeld Broerenkwartier Zwolle). Als je eraan bijdraagt een ingedut gebied weer op de kaart te krijgen dan geef je bovendien de wethouder iets om mee te ‘scoren’.
In een proces van co-creatie stuur je vaak op gebiedswaarden, die boven het behoud van afzonderlijke panden uitstijgt. Daarmee dringt de vraag zich op of je nu wel zo’n strikt onderscheid zou moeten maken tussen monumenten en niet-monumenten. Alles draagt toch bij aan het stadsbeeld, voorbijgangers maken toch ook geen onderscheid tussen monumentaal en een ‘gewoon’, maar vaak ook karakteristiek, pand? Eén van aanwezigen uit de jonge garde stelde het nog wat scherper: zou het kunnen dat men zich vooral richt op het behoud uit liefde voor het erfgoed en daardoor alternatieve benaderingen vanuit de erfgoedtheorie (denk aan gelaagdheid van verzamelen, ontzamelen en dergelijke) niet hanteert?
Beroepseed
Natuurlijk is de waardering voor de (monumentale) binnenstad een gesprek in twee richtingen. De monumentenzorger is zich bovendien allang bewust dat de stad gebaat is bij een monument dat in gebruik is. Maar hoe zorg je dat een eigenaar z’n pand niet leeg laat staan? Hans–Peter Benschop bracht hiervoor een interessant idee ter tafel: vraag eigenaren bij de aankoop van een monument, net als beroepseed een advocaat of arts, te zweren dat hij/zij plechtig voor het pand zal zorgen, in voor- en in tegenspoed…Want de intrinsieke waarde van erfgoed die zou toch, óók voor een erfgoed-leek, vanzelfsprekend moeten zijn.





