10.000 uren oefenen

Leave a comment
Blog
Leermeester en leerling restauratietimmeren. Foto: Arjen Veldt, in opdracht van Aannemingsbedrijf Jurriëns te Utrecht

10.000 uren oefenen

Het evenwicht tussen opleiding en arbeidsmarkt in de restauratieambachten

Wat doe je als je op je 15e weet dat je timmerman wilt worden? Of smid? Gewoon omdat je daar plezier uit haalt, of omdat je graag hetzelfde wilt doen als je vader? Kijk eens rond in het onderwijs in de restauratieambachten, dan stapelen de zorgen over het voortbestaan van de ambachten zich op.

De leergierige puber die het liefst met de handen leert en al weet in welk vak, bestaat bijna niet meer. Het onderwijssysteem moedigt leerlingen aan om zich breed te ontwikkelen en hun kansen op de arbeidsmarkt niet te versmallen door een (te) eenzijdige technische opleiding te kiezen. De leerling die zijn beroepskeuze op zijn vijftiende al maakt, laat zich waarschijnlijk niet door de arbeidsmarkt leiden, maar heeft een heel andere (intrinsieke) motivatie. Een verlangen van binnenuit om ergens goed in te worden, iets moois te maken. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett schreef een boek over dit ‘vakmanschap uit overtuiging’: the Craftsman (de ambachtsman). Sennett verdiepte zich in de meest uiteenlopende beroepen. Hij kwam tot de conclusie dat het enorme inspanning kost om je écht in een vak te bekwamen: 10.000 uren.

Techniekonderwijs

De leerling die het beste met de handen leert, komt terecht in het vmbo-onderwijs. In dit stelsel hebben bouwbrede technische opleidingen de plaats ingenomen van opleidingen in één bepaald beroep, zoals dat van de timmerman of de smid. Op het vmbo krijg je een uurtje of twee per week les in, bijvoorbeeld, timmeren. Je ontwikkelt je daarin niet veel verder, tot je zestien bent en naar het mbo mag. Enkele decennia geleden zou je dan als timmerman al aan de slag kunnen. Tegenwoordig haal je op zijn vroegst op je 20e (mbo niveau-3) hetzelfde niveau, een verschil van vier jaren. In het huidige onderwijs staat de algemene ontwikkeling echter centraal, met de nadruk op taal en rekenen. Lesuren die afgaan van de 10.000 die je volgens Sennett nodig hebt om een vak te leren.
Uit onderzoek blijkt dat naar schatting 20 tot 25% van de leerlingen in Nederland bij een vrije keuze het full time dagonderwijs vaarwel zou zeggen. School wordt als onprettig gezien en geassocieerd met een gevoel van straf. Een deel van de leerlingen gedijt niet bij klassikaal onderwijs, maar leert door te doen, te werken. Onderwijs vormt dan een mogelijkheid tot reflectie op de beroepspraktijk en het vinden van antwoorden op vragen die je in het werk tegenkomt. In het techniekonderwijs in Nederland wordt echter weinig geïnvesteerd in het ontwikkelen van vakmanschap op jonge leeftijd.

Leermeester en leerling restauratievoegen. Foto: Arjen Veldt, in opdracht van Aannemingsbedrijf Jurriëns te Utrecht

Leermeester en leerling restauratievoegen. Foto: Arjen Veldt, in opdracht van Aannemingsbedrijf Jurriëns te Utrecht

Opleidingen in de restauratieambachten

Samen met Wim Eggenkamp, die tot 1 september Rijksadviseur Cultureel Erfgoed was, deed ik heel 2012 onderzoek naar het onderwijs in de restauratieambachten. We voerden gesprekken met vaklieden, docenten, beleidsmakers en leerlingen. Een heel klein aantal leerlingen kiest na afronding van de basisberoepsopleiding een specialisatie in de restauratie. Het aantal aanmeldingen voor de opleiding schilderen (mbo niveau 3) bleek in de afgelopen drie jaar licht gestegen, bij timmeren en metselen (mbo niveau 2) bleek het aantal flink gedaald. Het aantal aanmeldingen voor de vervolgopleiding met de specialisatie restauratie daalde in het laatste peiljaar in deze drie vakken. Er zijn nog maar vijf regionale opleidingscentra (roc’s) met de opleiding restauratie-timmeren, drie vakscholen met restauratie-schilderen en slechts één roc met restauratie-metselen. Daaraan kleeft het risico dat een opleiding van het ene op het andere jaar kan ophouden te bestaan als een instelling besluit dat de opleiding te kostbaar is.
Het onderzoek beperkte zich niet tot deze drie beroepen. We richtten ons ook op de aansluiting van de kleine restauratieberoepen op het onderwijs, zoals dat van de (restauratie-)smid. Een regionale opzet van opleidingen zou onvoldoende aanmeldingen opleveren voor een dergelijke opleiding. De opleiding voor restauratiesmid is daarom centraal in het land gevestigd. Dat geldt ook voor de meeste opleidingen van de andere kleinere beroepsgroepen.
Opmerkelijk is dat beroepsbeoefenaars zelf de gespecialiseerde opleiding organiseren, niet de roc’s of vakscholen. De beroepsvereniging heeft de vakkennis in huis, terwijl een roc vaak geen gespecialiseerde docenten heeft. De beroepsverenigingen ontvangen echter geen financiering van het rijk voor onderwijs, dat gaat naar de roc’s. Ze leunen voor financiering grotendeels op de eigen O&O fondsen (een bijdrage van de beroepsgroep bestemd voor het opleidingen). Door de economische crisis is echter in veel beroepsgroepen het aantal eenmanszaken toegenomen, die geen bijdrage aan deze pot afdragen. De financiering voor de opleiding staat daardoor bij een aantal beroepen onder zware druk.

Arbeidskansen

Sinds 2008 is er sprake van een afname van 40.000 arbeidsplaatsen in de bouw. Is de situatie in de restauratiesector, die sterk afhankelijk is van (rijks-)subsidies, net zo slecht als in de (nieuw)bouw? Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) maakte in opdracht van vereniging Restauratie Opleidings Projecten (ROP) de publicatie ‘Arbeid en Scholing in de Restauratiesector’. Het EIB becijferde dat in 2008 de restauratieproductie een top bereikte van circa € 540 miljoen, maar sindsdien geleidelijk terug valt naar een niveau van € 440 miljoen in 2015. Vanaf 2015 trekt de restauratieproductie weer aan, voorspelt het EIB. Moet in de tussentijd de instroom van leerlingen dan niet worden teruggedrongen?
De behoefte aan nieuw personeel in de restauratiesector was in 2011 nog relatief hoog, gemiddeld 6 a 7% van het totale personeelsbestand. Vanaf 2012 is er weliswaar sprake van een krimpende behoefte, maar de daling is naar verwachting veel kleiner dan in de (nieuw)bouw. Het EIB concludeert daarom dat de restauratiesector zich niet mee moet laten slepen door de huidige situatie in de bouw. Ze pleit er juist voor om de instroom van leerlingen in de restauratie niet terug te laten vallen, met als argument dat de huidige opleidingsstructuur in de restauratiesector zoveel mogelijk in stand blijft. Nieuwe leerlingen opleiden kost een aantal jaren. De verwachte groei vanaf 2015 betekent dat het onderwijs tegen de realiteit van de arbeidsmarkt in moet opleiden.

Leerlingen restauratieschilderen. Foto: Louis Gerdessen

Leerlingen restauratieschilderen. Foto: Louis Gerdessen

Liefde voor het vak

Wim Eggenkamp presenteerde op 1 november zijn laatste advies als Rijksadviseur Cultureel Erfgoed, ‘Aandacht voor Restauratieambachten’, met aanbevelingen om de huidige opleidingsstructuur te versterken. Onder druk van onderwijsvernieuwingen komt specialistisch vakonderwijs steeds verder in het gedrang. In de publicatie zijn acht aanbevelingen opgenomen om het onderwijs en de arbeidsmarkt in de restauratie beter op elkaar te laten aansluiten. De organisatie SOS Vakmanschap vraagt bij de overheid al langer om aandacht voor specialistische opleidingen, o.a. in de restauratiesector. Dat begint al op vmbo-niveau met het begeleiden van leerlingen die graag met de handen leren – en met het enthousiasmeren van leerlingen. Momenteel wordt die leerling geremd in de ontwikkeling van de prille vakliefde. Er is namelijk voldoende enthousiasme voor het restaureren, getuige de populariteit van de Restauratiefair die het RIBO tweejaarlijks in Hengelo organiseert. In 2011 kwamen daar 3500 mensen op af.
In de interesse voor de gebouwde omgeving schuilt de werkelijke drijfveer om een restauratie vak te leren. Die drijfveer brengt leerling en leermeester nader tot elkaar. Externe drijfveren als geld en aanzien spelen in de restauratie geen grote rol. Als je een aannemersbedrijf vraagt waarom het werkt aan restauraties, dan zal hij waarschijnlijk antwoorden: ‘omdat het zo’n mooi vak is’. Waar je ook gerust trots op mag zijn, na minstens 10.000 uren oefenen.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Monumenten ter gelegenheid van de publicatie ‘Aandacht voor Restauratieambachten’. Download de publicatie van het College van Rijksadviseurs.

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.